Het woord perkenier zet één persoon vooraan in het plantageverhaal: de houder die aan een perk verbonden was. Het archief maakt duidelijk dat de mensen wier namen het systeem definieerden niet dezelfde mensen waren die al het werk in de teelt uitvoerden.
Na de verovering van 1621 organiseerde de VOC de nootmuskaatproductie op Banda opnieuw in perken. Een inspectie uit 1757–1758 die door het Nationaal Archief wordt bewaard, registreert de percelen, hun beheer en tot slaaf gemaakte mensen die delen van de teelt uitvoerden of beheerden. Gedwongen arbeid was geen detail naast het systeem. Ze zat in de manier waarop de productie functioneerde.
De mensen die tot dat werk werden gedwongen kwamen bovendien niet allemaal van Banda. Het Nationaal Archief beschrijft tot slaaf gemaakte mensen die vanuit omliggende gebieden zoals Nieuw-Guinea en de Aru-eilanden en van verder weg, waaronder India, naar Banda werden gebracht. Een plantagelandschap op een kleine eilandengroep was daarmee verbonden aan gedwongen verplaatsingen over een veel grotere geografie.
Dat verandert wat een schema van de toeleveringsketen zou moeten laten zien. Landtoewijzing, verplichte verkoop aan de VOC en arbeid door tot slaaf gemaakte mensen waren geen losse achtergrondfeiten. Ze vormden samen één productieregime.
Het verandert ook de taal van het verhaal. Zeggen dat Banda nootmuskaat 'produceerde' kan arbeid laten verdwijnen achter de naam van een plek. Zeggen dat perkeniers plantages beheerden kan de mensen die de bomen verzorgden laten verdwijnen achter de titel van de houder.
Het archief kan niet iedere tot slaaf gemaakte arbeider een volledige biografie teruggeven. Maar het kan wel voorkomen dat we vertellen alsof kostbare specerijen vanzelf van boom naar schip bewogen. Productie vergde mensen, en binnen het perkenstelsel waren veel van die mensen daar omdat zij tot slaaf waren gemaakt en verplaatst.
®