In 1621 ging de strijd om Banda al lang niet meer alleen over prijzen of handelspartners. De VOC had geprobeerd monopoliecontrole over de handel in nootmuskaat en foelie te verkrijgen. Bandanese gemeenschappen bleven met meerdere buitenlandse kooplieden handelen. Het conflict werd daarmee ook een vraag of een compagnie met militaire macht kon bepalen wie überhaupt nog mocht handelen.
Dat jaar veroverden VOC-troepen onder Jan Pieterszoon Coen Banda met extreem geweld. Archief- en museumbronnen beschrijven moord, vlucht, verdrijving en slavernij op verwoestende schaal. Exacte bevolkingsaantallen verschillen per bron; één ogenschijnlijk perfect getal zou een zekerheid suggereren die de bronnen niet geven. Over de historische breuk zelf bestaat veel minder twijfel.
Het geweld veranderde ook wat er na de strijd gebeurde. De VOC organiseerde de nootmuskaatproductie opnieuw in perken, met land onder perkeniers en teelt die steunde op arbeid door tot slaaf gemaakte mensen. Mensen werden naar Banda gebracht om binnen dat nieuwe productieregime te werken.
Daarom kan 1621 niet als één dramatische datum tussen twee hoofdstukken handelsgeschiedenis blijven staan. Het veranderde wie kon blijven, wie land kon controleren, hoe arbeid werd georganiseerd en hoe de specerij in het VOC-systeem terechtkwam.
In Europese geschiedenis verschijnt nootmuskaat vaak als luxegrondstof: zeldzaam, geurig en kostbaar. Vanuit Banda gelezen verschijnt daarnaast een andere geschiedenis. De prijs op een verre markt en het geweld bij de bron hoorden bij dezelfde keten.
Die verbinding benoemen maakt materiaalgeschiedenis niet minder interessant. Het maakt haar volledig genoeg om de moeilijkere vraag te stellen: wat moest er met mensen gebeuren voordat een kostbare specerij voorspelbaar gemaakt kon worden voor een monopolie?
®